Vrouwen aan Zet
Vrouwen aan Zet is een groei aanpak waarbij moeders worden opgeleid als toezichthouder in de wijk. Minimaal eens per week gaan de moeders in kleine groepen de straat op om misstanden in de openbare ruimte te signaleren en kinderen aan te spreken op hun gedrag. De kinderen worden doorverwezen naar bestaande activiteiten en indien nodig wordt initiatief genomen voor het organiseren van nieuw aanbod.
Doel en doelgroep
Het doel van Vrouwen aan Zet (VAZ) is het ontwikkelen en opzetten van een vrouwengroep die verbeteracties oppakt in de directe leefomgeving. Dat kan zijn het begeleiden en ondersteunen van kinderen en tieners uit de buurt, maar ook aandacht voor de groenvoorziening, straatvuil en speelterreinen. Vrouwen aan zet richt zich op jonge kinderen (tot 13 jaar) die betrokken zijn bij overlastgevende en mogelijk ook criminele activiteiten van oudere jeugd en volwassenen.
Aanpak
Als eerst worden de deelnemende vrouwen opgeleid en wordt gewerkt aan de ontwikkeling van de sociale en communicatieve vaardigheden van de afzonderlijke deelneemsters en aan de vorming van zelfstandige groepen van moeders. Minimaal eens per week lopen de moeders in kleine groepjes op straat, signaleren en rapporteren vernielingen en beschadigingen in de openbare ruimte en spreken kinderen aan. Ze verwijzen kinderen door naar bestaande activiteiten en nemen zo nodig het initiatief voor het organiseren van nieuw aanbod. In wekelijkse bijeenkomsten nemen de vrouwen, in aanwezigheid van een begeleidster, de week door en bespreken ze problemen en initiatieven.
Beschouwing van professionals
De doelstelling, werkzame bestanddelen, doelgroep en context van de aanpak zijn voldoende omschreven. Verder kent de aanpak een duidelijke samenhang met andere (lokale) maatregelen of interventies. De aanpak lijkt goed overdraagbaar, makkelijk te implementeren en de opzet is voldoende helder, werkbaar en uitvoerbaar.
De aanpak is niet geƫvalueerd en effecten van de aanpak op het gedrag van de jonge kinderen zijn niet bekend; bovendien zijn deze lastig meetbaar te maken. Verder ontbreekt een theoretische onderbouwing van de aanpak. Tot slot is de probleemanalyse te beperkt, onder andere omdat onduidelijk blijft bij welke overlastgevende en criminele activiteiten jonge kinderen betrokken zijn en op welke wijze en in welke mate zij dit zijn.




